De verslaggevers van Omroep Lekstroom zijn de hele week in de regio te vinden om het nieuws te verslaan. Daarbij maken ze nog veel meer mee. Deze zomer kunt u wekelijks in deze column lezen wat dat zoal is.
“Heeft u een tas koffie voor mij?” vraagt de Belgische toerist naast mij op het terras in City Plaza. Ik zie de werkende student verbaasd kijken. Koffie in een tas? Om mee te nemen? Al snel wordt duidelijk dat er een kop koffie bedoeld wordt. Het Nederlands en Vlaams lijken dan wel erg op elkaar, maar kennen ook verschillen. Daar ben ik wel nieuwsgierig naar, dus ik vraag het stel of ze tegen meer van zulke vergissingen aanlopen in ons land. “Pas moest ik iets afrekenen en zei de verkoopster dat het veertien euro en een dubbeltje was”, zegt de vrouw. “Ik heb nog nooit van een dubbeltje gehoord.” Ook het woord rennen kennen ze niet. Rennen heet lopen in Vlaanderen. En lopen noemen ze daar stappen.
Een vriend van mij heeft jaren geleden Nederland ingewisseld voor Vlaams België. Hij ging de liefde achterna. Die liefde voor haar was helaas van korte duur, maar de liefde voor Vlaanderen bleef. Hij heeft er een leuke baan, een nieuwe vriendenkring en een gezin met kinderen opgebouwd. “De mensen hier zijn veel gemoedelijker”, vertelt hij desgevraagd. “Niet zo opgefokt als in de Randstad.” Zelfs in het appverkeer begint hij anders te praten. “Amai” is zijn nieuwe stopwoordje.
Er komen jaarlijks ruim honderdduizend Belgische toeristen naar onze provincie. Ik vroeg aan de Belgen op het terras wat hen naar ons land voerde. “De taal”, was prompt het antwoord. “Hier hoeven we niet zoveel na te denken over de taal.” Elk jaar gaan er nog veel meer mensen uit onze regio op vakantie naar België. Misschien wel om dezelfde reden. Ik vind het wel leuk, ’s zomers op een terras zitten in onze regio. Door alle vreemde talen om me heen, waan ik me toch een beetje in het buitenland. Zo kom ik vast in de stemming voor als ik zelf vakantie ga vieren.















