Ik was bij de opening en die deed me denken aan andere recepties die ik in de culturele wereld heb bijgewoond. Naast zalmhapjes en experimenten met insecten op toastjes, kwam er altijd veel kunst voorbij. Het meeste kon ik zeer waarderen, maar in mijn omgeving merk ik dat dat niet voor iedereen geldt.
Naar de film gaat iedereen vaak wel, maar ik heb een neef die niet dood in een museum gevonden wil worden. “Brrr, die stille zalen”, rilt hij, terwijl hij snel de televisie aanzet voor Formule 1. Ik vind het jammer dat ik hem niet kan enthousiasmeren met mijn verhalen over leuke avonden voor jongeren, maar hij is niet de enige. Toen ik probeerde fondsen te werven voor de cultuur, kwam ik een keer bij de marketeer van een groot bedrijf. Deze snelle jongen had duidelijk meer met sport en aarzelde zichtbaar na mijn inspirerende verhaal. “Heeft die Van Gogh geen tennisracket geschilderd”, vroeg hij weifelend. “Of een bal?”
Niet iedereen zal ook begrijpen wat de kunstenaar Maarten Bel bedoelt met zijn ‘ode aan de tak.’ Het voordeel van hedendaagse kunstenaars is dat ze dat ter plekke kunnen uitleggen en Maarten hield een mooi verhaal. Bij Picasso moeten we er maar naar raden.
Laat ik eerlijk zijn: ook ik heb de loop door de hersenen van een kunstenaar niet altijd juist geïnterpreteerd. Zo zei ik een tijdens een fotoshoot in een museum met hedendaagse kunst: “Misschien dat het model links van dat brandluik kan gaan staan.” Pas later begreep ik dat de conservator bijna een beroerte had gekregen omdat ik een effen grijs geschilderd doek niet als zodanig had herkend.
Een conservator die ik in het begin van mijn carrière tegenkwam legde me uit wat je in dat geval moet doen. “Je legt je armen over elkaar en heft een hand tegen je hoofd alsof je diep nadenkt”, deed hij me voor. “Vervolgens knik je instemmend en zeg je dat dit werk duidelijk zeggingskracht heeft. Of dat het diepte heeft. Zo kom je over als een kenner.”













