Je leest vaak over de tegenstellingen tussen generatie Z en generatie X. De maatschappij ontwikkelt snel en drastisch en de jonge generatie groeit mee. Doet de generatie die opgroeide eind vorige eeuw dat ook? Wij, verslaggevers Bo (Gen Z, 19 jaar) en Jacqueline (Gen X, leeftijd wil ze niet zeggen), willen graag samen onderzoeken hoe groot de kloof tussen onze generaties nou echt is. Dat doen we in een wekelijkse column, waarbij we in app-vorm verschillende thema’s bespreken.
Beste Bo,
Een goed popconcert kan me gelukkig maken. U2, Prince, Kraak en Smaak, The Rolling Stones: ik heb ervan genoten. Net zo makkelijk zit ik tevreden in het Concertgebouw te luisteren naar Tsjaikovski of Beethoven. En een week later kan ik in de Arena door het lint gaan bij een doelpunt van Ajax.
Er zijn mensen die dat niet begrijpen. Hadden ze me net in het hokje van kunstliefhebber gestopt, gedraag ik me opeens als de eerste de beste hooligan.
Het zit in de aard van mensen om anderen in te delen bij een groep. Vermoedelijk omdat we in de oertijd op die manier vriend van vijand moesten onderscheiden. Vroeger riepen we ook weleens “dat is vast een alto” of “dat is een kakker.” Maar iemand kan zich thuis voelen in meerdere groepen tegelijk. Een van de mooie uitspraken van Wim Sonneveld, de beroemde conferencier, is: “Ik ben alles.” Ik kan het niet letterlijk reproduceren, maar hij gaf aan dat er goedheid in hem zat, maar ook kwaad, zodra iemand aan zijn dierbaren kwam.
Wat ik dan ook kwalijk vind: tegenwoordig word je automatisch in een hokje geduwd en moet je daar blijven. Terwijl je je misschien (deels) thuisvoelt in een ander hokje. Een Surinaamse vriendin van me vertelde laatst gefrustreerd dat iemand haar zomaar in het hokje “zwart en niet kunst-minded” had geplaatst. Puur op basis van hoe ze eruitziet, zonder iets van haar te weten.
In de Volkskrant las ik het verhaal van een vrouw die een transitie had doorgemaakt. Ze gaf een interview omdat anderen haar hadden gemeld dat ze zichzelf niet “vrouw” mocht noemen, maar “transgender.” Alsof een ander mag bepalen hoe jij jezelf definieert.
Het lijkt wel alsof de hokjes zich vermenigvuldigen en er daardoor eerder mínder dan meer verbinding ontstaat. We willen ons niet verdiepen in het hokje van de ander. Integendeel: de polarisatie lijkt alleen maar toe te nemen.
Is dat iets van nu? Of was het altijd al zo en zien we het nu scherper door sociale media? Ik ben benieuwd wat jongere generaties hiervan vinden. Moeten we niet eens van de hokjes af?
Hartelijke groet,
Jacqueline
Hee Jacqueline,
Binnen de opleiding journalistiek, die heel eerlijk gezegd vrij links georiënteerd is, staan objectiviteit en inclusie centraal. Dat is tenminste wat ons wordt voorgehouden…
De termen ‘alto’ of het hedendaagse ‘emo’, of al wijzend stellen dat die persoon een ‘kakker’ is, is denk ik van alle tijden. Hoewel er tegenwoordig veel meer kan; zoals iemand die zich identificeert als een het, hij, zij en nog veel meer. En je hebt transgenders en homo’s. Er zijn dus veel meer hokjes waar je iemand in kan zetten.
Het is soms zo genormaliseerd om iemand een ‘kakker’ te noemen, dat je er eigenlijk niet eens meer bij stilstaat dat je iemand labelt.
Door de toenemende polarisatie lijkt er vaak sprake van het één of het ander, links of rechts. We kennen nauwelijks nog iets daartussen. En wat we niet kennen, erkennen we vaak ook niet.
Om dan even terug te komen op wat je eerder benoemde ‘Tegenwoordig word je automatisch in een hokje geduwd en moet je daar blijven. Terwijl je je misschien (deels) thuisvoelt in een ander hokje.’
Misschien is dat wel het vreemde aan mijn generatie, Gen Z. We zijn opgegroeid met meer vrijheid en ruimte, om te zijn wie we willen zijn, dan generaties vóór ons. Maar tegelijk is er ook meer druk om dat precies te definiëren. We spreken over identiteit alsof het een profiel is dat compleet moet zijn ingevuld: politieke voorkeur, gender, kledingstijl, muziek, wereldbeeld alles moet ergens bij horen. Het is een soort overzicht binnen de maatschappij, waarin steeds meer mag en kan. Een label vormt duidelijkheid, maar ook afstand.
Iemand kan progressieve ideeën hebben en toch waarde hechten aan tradities. Je kunt je thuis voelen in meerdere groepen tegelijk, of juist in geen enkele volledig. Dat zou (eigenlijk te zot voor woorden) natuurlijk geen probleem moeten zijn.
Misschien hoeven we niet minder verschillen te benoemen, maar moeten we wel voorzichtiger worden met de gedachte dat een label het hele verhaal vertelt. En dus meer open staan voor elkaar, zodat we die afstand naar elkaar wat kunnen verkleinen.
Groetjes,
Bo
Fotobewerking: Annabel Rutten














