NIEUWEGEIN- Vandaag wordt het boek Rafelranden van de Kampong gelanceerd, de debuutroman van schrijfster Marian Puijk. Het boek is het eerste deel van een kroniek over het leven van inheemse Indonesiërs op Java vanaf 1916.
“Een debuutroman voelt ontzettend spannend en leuk. Ik heb altijd graag willen schrijven, van jongs af aan. Dat er ook echt een boek uitgegeven zou worden is een droom die uitkomt” zegt Puijk.
“Er zijn veel boeken verschenen over Indonesië. In de literatuur is het verhaal van de inheemse mensen, de grote massa eigenlijk, onderbelicht. Daar was ik naar op zoek, dat kon ik nergens vinden.”
Het boek Oeroeg van Hella Haasse was voor Marian een voorbeeld. “Zij schreef over een Europese jongen die bevriend was met een Indonesische jongen, vanuit het perspectief van de Europese jongen. En ik was juist benieuwd naar het verhaal van Oeroeg. Hoe zag zijn wereld eruit?”
Zo kwam Atun tot leven, en kreeg Puijk het idee voor het verhaal. “Toen ik ging schrijven miste ik een stuk. Ik bedacht dat ik eerst moest gaan schrijven over zijn moeder; zo kwam Asmina tot leven.” Het boek begint in 1916 als Asmina dertien jaar is. Ze is geboren met een misvorming en dat brengt haar tot een daad, die er uiteindelijk toe leidt dat haar vader haar verkoopt aan een blanke man met wie ze ook het bed moet delen. Het boek volgt Asmina tot 1945 en kent nog diverse wendingen.
Nieuwsgierig naar Indonesië
Puijk is zelf niet van Indonesische afkomst, maar, zegt ze: “Ik heb al mijn hele leven belangstelling voor alles wat met Indonesië te maken heeft. Ik kreeg in mijn jeugd voor het eerst met Indonesische mensen te maken, maar je kwam er niet veel over te weten.” Dat komt volgens Puijk door het zogenaamde ‘Indonesische zwijgen’. “De ouders die deze kant op kwamen wilden niet praten over het verleden. Nederland zat toen in de naoorlogse periode en was zelf een oorlogstrauma aan het verwerken. Die hadden helemaal geen boodschap aan het verhaal over wat zij hadden meegemaakt. Ze dachten: ‘het kan nooit zo erg zijn als wat wij hebben meegemaakt.’” De generaties daarna hebben daar volgens Puijk nog steeds last van. “Die gaan nu op zoek naar het verhaal van hun grootouders.”
Dialoog aan de gang houden
Puijk weet niet of ze zelf iets kan toevoegen aan die zoektocht. “Ik heb niet de intentie of -misschien wel- arrogantie om hun wat te vertellen.” Haar verhaal wordt voornamelijk gedreven door eigen nieuwsgierigheid: “Ik ben altijd nieuwsgierig gebleven en heb mijn leven lang geweten dat er een verhaal in me zat dat verteld moest worden.” En dus ging Marian op zoek naar informatie. Daarvoor las ze heel veel boeken, maakte aantekeningen en documenteerde alles. “Ik heb inmiddels vijfhonderd boeken over Indonesië verzameld”, somt ze op.
Zelf naar Indonesië
Ze maakte ook drie keer een reis naar Indonesië. In tegenstelling tot wat ze had verwacht, was de eerste reis een cultuurschok. “Ik was door alle literaire boeken zo opgegroeid in de Tempo Doeloe-sfeer, maar die is daar niet meer. Het is bittere armoede”, vertelt ze. Na Bali en Sulawesi en Java, ging ze twee jaar geleden naar de Molukken. “Dat was thuiskomen”, vertelt ze. “Toen het vliegtuig daalde en ik door de aankomsthal liep had ik al zoiets van ‘yes, dit is het'”, zegt ze. “En dat is altijd zo gebleven.”
Ze hoopt dat het boek de dialoog tussen Nederlanders en Indonesiërs aan de gang houdt. Het is in haar ogen belangrijk dat Nederlanders die vlak na de oorlog niet wilden luisteren en dat nu wel doen en de Indonesische mensen die op zoek zijn met elkaar in gesprek blijven. Verder hoopt ze dat mensen er de veerkracht van de mensen en het open staan voor elkaar meenemen. “Dat mensen meenemen dat wat ze ook meemaken, ze altijd weer terug kunnen veren.”
Foto: Fototeam KenM, Marian Puijk













